|
Samenwerkende cliëntenorganisaties hebben verkenningen gedaan naar zorgzwaartepakketten in de praktijk. Het samenvattend rapport is in juli 2010 naar de Tweede Kamer gestuurd door de minister van VWS. Er zijn daarnaast aparte rapporten over de sectoren V&V, gehandicaptenzorg en langdurige GGZ; zie hiervoor het onderdeel "Zzp's in de praktijk" op deze website.
Download Samenvattend rapport Zzp in de praktijk
Samenvatting van de verkenning
Opzet van de verkenning Dit rapport is het verslag van een verkenning naar zorgzwaartepakketten in drie care-sectoren: (1) hoe de zorginstellingen de invoering van ZZP’s aanpakken, en (2) wat de ervaringen van de cliënten zijn over de invulling van pakketten. Bij 30 instellingen – doorgaans met meerdere locaties – hebben we informatie over de gevolgde aanpak. Van 500 cliënten hebben we gegevens over hun individuele situatie, de zorgbehoefte, de samenspraak over het zorgplan, de invulling van het pakket. De deelnemende instellingen staan welwillend tegenover de invoering van ZZP’s; en ze behoren niet tot de instellingen met ondermaatse kwaliteit van zorg.
Aanpak die instellingen volgen De invoering van zorgzwaartepakketten berust vrijwel overal, in alle sectoren, op een gefaseerde aanpak, waarbij de bedrijfsvoering voorop staat. Instellingen maken eerst ‘het systeem’ op orde: de toekenning van ZZP’s aan cliënten, de herberekening van budgetten, de registratie als basis van declaraties in de AWBZ. Pas in een tweede fase – meestal vanaf 2010 – staat centraal hoe de cliënt meer regie kan hebben over de invulling van het ZZP en welke keuzeruimte mogelijk is. Dit moet meestal nog komen.
Nog steeds hebben zowel cliënten als uitvoerende teams te maken met voortgaande onduidelijkheden rond de ZZP’s, vooral de regels voor toekenning van een bepaald zorgzwaartepakket aan de individuele cliënt. De indicatieregels worden ervaren als “niet erg scherp en eenduidig”. We zien dat tussen zorginstellingen grote verschillen bestaan in het ZZP dat cliënten met een zelfde zorgzwaarte krijgen.
Als eenmaal een ZZP is vastgesteld, kunnen instellingen twee kanten op: (1) werken met een indeling van zorgtijd per ZZP en per cliënt, (2) kiezen voor een kwalitatieve benadering met accent op ‘wat de cliënt belangrijk vindt op diverse leefgebieden’. Het eerste is ondoenlijk gebleken; de nadruk ligt tegenwoordig op de tweede methode. Alle organisaties gebruiken het zorgplan als hulpmiddel om de cliënt meer invloed te geven. De kernvraag hierbij: “hoe wil ik de zorg hebben, wat is voor mij belangrijk”. Een deel van de organisaties kiest tegelijk voor een accent op beheersing door aan de woonlocaties rekenschema’s mee te geven waarmee de beroepskrachten een leidraad krijgen voor de hoeveelheid zorg per cliënt. De meeste instellingen nemen afstand van een aanpak waarin ‘zorgtijd’ in detail aan de cliënt wordt toegerekend. Ook cliënten hebben er doorgaans geen behoefte aan. Dat laatste is pas het geval in situaties waar de kwaliteit van zorg onder druk staat. Cliënten vinden de actuele focus op ‘kwaliteit in leefgebieden’ aantrekkelijk.
Ervaringen van cliënten In onze verkenning hebben we informatie over omstreeks 500 cliënten. Centraal staat in hoeverre de geboden zorg aansluit op individuele behoeften en wensen. Hierbij zijn zeven gebieden als vertrekpunt genomen: wonen met privacy, continue nabijheid van hulp, persoonlijke aandacht en ontwikkeling, lichamelijke verzorging en medische zorg, dagelijkse maaltijden, zinvolle dagbesteding, vrijetijdsbesteding. Het algemene beeld dat uit de verkenning naar voren komt is als volgt: een redelijk goede aansluiting van de geboden zorg op de behoeften en wensen. Een beetje door de invoering van zorgzwaartepakketten, veel meer door het werken met zorgplannen. Het meeste succesvol zijn de organisaties die de zorgplannen op een nieuwe manier toepassen, met een onderscheid naar kwaliteit van bestaan op leefgebieden; en die tegelijk de uitvoerende teams daarop voortdurend aanspreken.
De instellingen die meededen aan onze verkenning staan buiten de gevarenzone van ‘zwakke kwaliteit’. En ze staan welwillend tegenover de invoering van ZZP’s. Dit is de context waarin we onze conclusie gaven: de redelijk goede aansluiting – zij het in de langdurige GGZ wat minder dan in andere sectoren. Tegelijk geldt iets anders. Onder het beeld van een behoorlijke aansluiting zitten nog allerlei knelpunten; het venijn zit vaak in de details. Cliënten in de V&V-sector vinden overwegend dat het personeel bereid is voor hen klaar te staan; er is veel waardering. De kritiek betreft de gehaastheid die men vaak tegenkomt. Tijdsdruk bij verzorgenden leidt tot bemeten ruimte voor het gesprek met de cliënt. Georganiseerde dagactiviteit is onvoldoende afgestemd op verscheidenheid van interesses en leefstijlen. Cliënten in de gehandicaptenzorg wijzen op wisselingen in het team, onvoldoende tijd voor persoonlijke ontwikkeling (vaardigheden versterken), en afnemende ruimte voor georganiseerde activiteiten in weekenden (ergens heen gaan). Cliënten in de langdurige GGZ noemen overwegend een goede aansluiting van de zorg op hun behoeften maar bij één derde zijn er tekorten zoals weinig begeleiding in een woongroep, individuele aandacht die tekortschiet, dagactiviteit die niet uitdagend is.
Waardoor ontstaan die knelpunten? Geld speelt soms een rol. Toch verklaart dat niet alles. Instellingen met dezelfde geldsom zijn verschillend succesvol in alert reageren op wensen die cliënten aandragen. Sommige doen dat beter dan andere. Wat precies de magische formule is, weten we niet. Onmisbare ingrediënten zijn: 1) aansprekende visie op zorg, 2) ruimte voor uitvoerende teams tot creativiteit, 3) samenspraak met de cliënt over persoonlijke wensen en monitoring of afspraken worden waargemaakt.
Aandachtspunten Die aanbevelingen komen in ieder geval uit onze verkenning naar voren. Ten eerste de noodzaak om het ZZP-stelsel meer stabiel te maken. Het feit dat cliënten met dezelfde zorgzwaarte in verschillende ZZP’s komen – door de wijze waarop de zorgaanbieder de zorgzwaarte in beeld brengt – is geen goede zaak. De overheid moet de regie nemen. Ten tweede de wenselijkheid om de invulling van het ZZP niet te enten op berekende zorgtijd maar op ‘kwaliteit van bestaan’. Cliënten moeten duidelijk kunnen maken wat ze belangrijk vinden op leefdomeinen; de instelling beziet hoe men eraan kan voldoen en kan daarbij grenzen stellen. Tegelijk: de cliënten die willen weten wat een instelling met het ZZP-geld kan doen, moeten daarover heldere uitleg kunnen krijgen. Ten derde de urgentie van ruimte tot creativiteit op de werkvloer, in plaats van louter beheersschema’s vanuit de top van de organisatie. Ook ruimte om te leren van andere organisaties (over de muren kijken); voor zowel uitvoerende teams als cliëntenraden. |